De zeilsport kent een heel sterk jargon, waarmee je nog weleens in de knoop kunt komen als je voor het eerst met ervaren zeilers meevaart. Dit zijn de drie termen die je goed in je oren moet knopen, want een doorgewinterde zeiler zal je gegarandeerd verbeteren als je deze woorden aan boord gebruikt..

Touw

Het woord ‘touw’ is aan boord van een zeilboot – en eigenlijk elke boot – not done. Een touw vind je misschien aan land, maar nooit op het water. Aan boord spreek je van lijnen, en specifieker schoten, vallen of landvasten. Voor de groentjes een korte uitleg zodat je nooit meer de fout in hoeft te gaan.

  • Schoten zijn alle lijnen waarmee de zeilen bediend worden, bekend zijn de grootschoot en de fokkeschoot.
  • Vallen zijn alle lijnen waarmee de zeilen gehesen worden, dit wordt ook wel lopend want genoemd.
  • Landvasten zijn alle lijnen waarmee de boot aan de kant of een andere boot wordt vastgelegd.

Links en rechts

Links en rechts bestaan aan boord niet, je hebt uiteraard bakboord en stuurboord. Bakboord is links, stuurboord is rechts. Een handig ezelsbruggetje om dit te onthouden is dat het woord ‘stuurboord’ twee keer de letter R bevat en dus rechts is. Daarnaast hebben bakboord en stuurboord ook nog kleuren, deze vind je bijvoorbeeld terug in de verlichting aan boord en in de betonning op het water. Rood is links en groen is rechts. Dit kun je onthouden door het woord “GRAS”, Groen Rechts Aan Stuurboord.

Stuur

Een auto heeft een stuur, een boot heeft een roer. Een zeiler zal daarom nooit een boot besturen met een stuur. Op een zeilboot zijn er twee verschillende manieren om de koers van de boot te bepalen. Het roer vind je op grotere zeilboten en bestaat uit een rond wiel dat in verbinding staat met het roer onder de boot. Op kleinere zeilboten zoals een Valk vind je een ‘stok’ die de helmstok wordt genoemd.

Laat een Reactie achter