In de zeilsport wordt er een hele hoop jargon en een lading ingewikkelde termen gebruikt. Wie voor het eerst meevaart doet er goed aan zich voor te bereiden met de belangrijkste termen aan boord. Met deze vier termen red je je als beginnende meezeiler aan boord.

Fok bak

De fok is het kleine zeil aan de voorkant van de boot. Als je overstag gaat en het grootzeil overklapt naar de andere kant komt ook de fok over het andere boord te staan. Tijdens het overstag gaan kun je door de fok aan de verkeerde kant (‘bak’) aan te trekken er voor zorgen dat de voorsteven makkelijker door de wind draait.

Gijpen

Bij een gijp draait de kont van het schip door de wind, waardoor het zeil vanaf de andere kant wind vangt. Hierbij klapt het grootzeil plotseling naar de andere kant van de boot. Als bemanning doe je er goed aan laag te blijven omdat de kans dat je de giek tegen je hoofd aan krijgt tijdens een gijp vrij groot is. Een gijp is het tegenovergestelde van overstag gaan.

Man overboord

Man over boord houdt in dat er een man overboord is geslagen. Als er tijdens het zeilen iemand overboord slaat wordt meteen hard ‘MAN OVERBOORD’ geroepen. De schipper zal meteen beginnen aan de man overboord manoeuvre. Een ander bemanningslid houdt hierbij constant degene die overboord is geslagen in de gaten, terwijl de rest de boot bestuurt.

Lijn opschieten

Het opschieten van een lijn is het samenrapen van de lijn zodat hij gemakkelijk opgeborgen kan worden en niet in de knoop raakt. Dit heet het opschieten van de lijn. Maak telkens lussen van de lijn terwijl je voorkomt dat deze gaat draaien. Het laatste deel van de lijn draai je om de lussen heen zodat deze bij elkaar blijven. Het laatste uiteinde haal je door een van de lussen.

Laat een Reactie achter